De weg liep langzaam omhoog door het bos. Het ravijn versmalde, de hellingen werden kaal en steil. Ze ging een bocht om en zag de poort voor zich liggen.
Hijgend bleef ze staan. Het licht was anders deze keer, de ruļne leek minder onheilspellend, minder duidelijk, meer als een van de kliffen waaraan hij was ontsproten. Ze kon de illusie van een gezicht erin niet onderscheiden. Ze zag alleen maar een ruime van witte steen oud en triest, maar niet dreigend. Gerustgesteld liep ze naar voren.
Zelfs toen ze bij de poort zelf kwam aarzelde ze niet. De uitgang was te zien achter een duisternis waarin het gebulder van een waterval in de diepte weergalmde. In een oogwenk kwam ze aan de andere kant te voorschijn
Het ravijn had zich opvallend verbreed. De maan scheen helder en wierp scherper afgetekende schaduwen.
Rechts van haar stortte een riviertje omlaag in een ondoordringbare duisternis, maar de bodem van het dal voor haar was recht en kaal, geflankeerd door kliffen.
De weg liep door. Aan beide kanten glansden hoge bergen als ijzige geesten onder de zilveren bol van de maan. Er was geen kleur, alles was bleek en donker , met enkel plekje sneeuw. Haastig en zwijgend liep ze verder en liet het geluid van de waterval al spoedig achter zich. Zelfs de wind was gaan liggen. Ze hoor niets dan vage geknars van haar voeten op het grind en het gestage kloppen van haar hart.
Zo gemakkelijk zou het niet zijn. Toch bleef de weg leeg en recht. Het riviertje was volledig verdwenen.
Bij elke bocht kon het gevaar op de loer liggen. Het pad was effen, maar liep zigzaggend tussen de puntige monolieten, en ze kon zelden ver voor zich uit kijken.
Knars, knars, knars , zeiden haar voeten op het grind.
Het licht was vreemd, een etherische mengeling van zilver en gitzwart.
Hoewel het windstil was, voelde ze de lucht ijskoud op haar verhitte gezicht. Haar adem vormde wolkjes van een regenboogkleurige nevel.
Knars, knars, knars.
Ze gebruikte haar gezonde verstand en begon een beetje voorzichtig te worden, vertraagde haar pas bij elke blinde hoek,liep behoedzaam een bocht om,voor het geval een of andere verschrikking haar de weg versperde. Altijd lag de weg leeg voor haar in het maanlicht.. Hoever zou ze moeten gaan. De hoge toppen staken glinsterend en onveranderlijk af tegen de lucht. De weg van de Consecratie kon toch zeker niet dwars door de bergketen voeren, welke gebergte het ook was, want dan zou in de buiten wereld zijn,en priesteressen gingen nooit naar de buitenwereld waar de demonen op de loer lagen. Toen ze bij de wand vandaan liep, bewoog haar schaduw erop. Uit haar ooghoek twee schaduwen! Ze gilde en voor ze het wist begon ze te rennen.
Ze had niet achterom gekeken! Maar uit haar ooghoek had ze de tweede schaduw gezien, vlak achter die van haar zelf. Het was een vreemde lichtval geweest, ja toch? Ze holde over het pad.
Kna-rs, kna-rs. Er was iets veranderd in haar voetstappen. Ze klonken niet meer het zelfde. Ze leken iets vlak achter haar te weerkaatsen.
Op haar hielen. Hield gelijke tred met haar.Kna-rs, kna-ars,kna-rs
Hij bleef bij haar. Achter haar rug.Twijgen,verdroogde takken-geen beenderen! Kijk niet achterom!
Ze rende tot ze een steek in haar zij kreeg en niet meer kon rennen. Wankelend van uit putting ging ze langzamer lopen. Niets liep tegen haar op,niets greep haar. Boven het bonzen van haar hart uit hoorde ze nog steeds de voetstappen, gelijk met de hare, op de dezelfde plek waar zij haar voeten had gezet, vlak achter haar.
Er was niets, sprak ze zichzelf de moed in, maar wist dat ze loog. Het was vlak achter haar,dichterbij genoeg om de adem in haar hals te voelen,als het ademde. Dichtbij genoeg om haar aan te raken, als het kon aanraken.
Wie ben je? Vroeg ze met een schrille stem, zonder om zich heen te durven kijken.
Geen antwoord, geen wind.Alleen haar bonzend hart en die exact volgende voetstappen.
Vertel me wie je bent! Riep ze luider. In naam van de priesteres, vertel het me!
Deze keer kwam er een antwoord, maar of het een zucht in de nachtlucht was of een gedachte in haar hoofd, wist ze niet.
Ik ben Magiėr Valoris,ik ben de gene die jouw komt helpen. Bij het horen van die naam draaide Ellianne zich om en ziet de magiėr staan in het maanlicht. Het spijt me als ik je hebt laten schrikken,Ellianne maar je liep zo hard weg voor ik wat kon zeggen. Jij bent de magiėr die ik zou ontmoeten op weg naar Avalon.
Dat klopt ik zal helpen zo goed als ik kan. Nu moest ze glimlachen, was ze daarom zo bang geworden ze was het helemaal vergeten dat ze hem zou ontmoeten. Kom met me mee daar is een schuil plaats voor de nacht.
Dan kan je mij vertellen wat er allemaal aan de hand is, Ellianne. Morgen gaan we verder naar Avalon.
copyright by Anja Mooij
Stuur door
Dit is niet OK